Dagboekfragment 2
01/06/’06 Praag, Nusle, Colin’s flat
De ochtend start even abrupt als de slaap die als een dief in de nacht ervoor toesloeg. Er is een hevige discussie gaande tussen Colin en Conor. De laatste heeft niet beter gevonden dan in het holst van de nacht in een onmiskenbaar dronken bui heel de koelkast te plunderen en daarbij een spoor van etensresten in het toch al armzalige appartement achter te laten. Colin is machteloos wit van woede. In een poging zijn zelfbeheersing te herwinnen argumenteert hij dat de geplande opname sessie met gastmuzikanten (zijn vrienden) voor maandag hoe dan ook niet kan doorgaan gezien de staat waarin Conor zich de laatste dagen bevindt (Colin heeft zich geëngageerd om Conor’s 2de plaat in te blikken). Even voel ik de sleutels van Nick’s flat in mijn broekzak.
Hij werkt hem vakkundig de deur uit en we drinken koffie. Na een uitgebreide analyse waarbij mijn expertise inzake Conor’s gedrag niet onbelangrijk blijkt keert de rust weer en duiken we langzaam maar zeker de muziek in; hetgeen waarvan ik dacht wat in hoofdzaak het doel van mijn reis zou worden.
De focus groeit en we werken hard, efficiënt en op de o zo vertrouwde gezamenlijke golflengte wel 23 nummers door in de staat waarin ze zich bevinden. Ik geniet intens dat de tijd niet het minste vat heeft gehad op de kwaliteit van de communicatie. De intensiteit is als vanouds, woorden ruimen plaats voor klanken, beelden, het universele. Het valt me op dat slechts een handjevol muzikanten iets hebben bijgedragen, waaronder mijn vriend Pieter op de sax die tot mijn tevredenheid een haast goddelijke bijdrage levert. De zanglijnen kan ik echter niet kaderen. De muziek lijkt lichtjaren verwijderd van de basis, nu tien jaar geleden, de virtuositeit is exponentieel gegroeid en blijft de onmiskenbare handtekening van Colin met verve dragen.
Katka, Colin’s vriendin verschijnt ten tonele, een schitterende Slowaakse verschijning, 4,5 maand zwanger nu van Colin, werkloos, sans papier, en verantwoordelijk voor de feeërieke zangpartijen die ik niet kon plaatsen. Ze is beminnelijk en gereserveerd wat ik zonder meer accepteer.
Ik verdring het idee om mijn filmplannen op tafel te gooien, deels bij gebrek aan een voldoende uitgewerkt concept, deels omdat het moment daarvoor nog niet is aangebroken. Een biep op de foon herinnert me aan een volgende afspraak en ik verdwijn alleen de stad in, op zoek naar Maggie, de magische kaartlegster.
Ik verlies mijn focus volledig, sta nog even versteld van de intactheid van m’n Tsjechisch als ik sigaretten en kaartjes voor de tram koop in een kiosk. Met het gezapig vorderen van de tram richting centrum raak ik meer en meer overspoeld door gedachten, herinneringen, vragen, beelden, het wordt een woeste storm in mijn hoofd en ik besluit het volledig over me te laten komen. Als automatisch stap ik het literair café onder de Tynska kathedraal binnen in een poging met koffie en sigaretten weer wat vat te krijgen op de gedachtestroom. In het verleden was dit een veilige plek, vrij van taal turbulenties (enkel Tsjechisch), een eiland in de zee van chaos. Uiteindelijk vind ik Maggie, we lopen naar Stramovka park. Ik heb de grootste moeite om me te concentreren, mis de helft van de conversatie, wijd dit aan het spervuur van diep Mid West Amerikaans dat onophoudelijk op me af komt en hoop hier toch nog, hoe dan ook, beleefd uit te komen. Ik geef het op om een nog enigszins coherent gesprek te voeren en trek ongewild, abusievelijk de emotionele kaart.
Een uur of wat later stel ik vast dat ik in een ongecontroleerde monoloog in geuren en kleuren heel mijn hart heb opengegooid omtrent mijn Geliefde en besef ineens dat ik Maggie daaromtrent meermaals, zij het op een afstand, advies heb gevraagd. Ongevraagd krijg ik antwoord: 'Wees duidelijk'.
In opperste verwarring verkerend volgt een schitterend ongeluk, we botsen op Suzannah op weg naar de Nationale Galerij waar ze net een tentoonstelling van haar schilderijen klaar heeft. Op de vernissage hervind ik mezelf en gewillig gooi ik al mijn zintuigen open in een verwoede poging mijn verbijstering omtrent mijn ongewilde onthullingen te blussen, wat me nog aardig lukt ook.
Daarna in het overdisgned ex-pats café volg ik niet één conversatie en sta maar wat beleefd te wezen met hier en daar een niets zeggend antwoord op de veel gestelde vragen in een poging enigszins enthousiast over te komen.
Ik neem heel alleen de nachttram naar huis, een vaag vermoeden van wat ik hier precies kom doen sluimert ergens diep van binnen, ik laat het er en ga heel erg plichtsbewust slapen in de muisstille donkere flat van Colin.