Dagboekfragment 4 Praag, 4 juni, ‘06 De dag ontvouwt zich. De eenzaamheid van de nacht heeft zich als een groeiende klimop de dag ingewurmd. Het voelt als een omhelzing, geen paniekaanval, geen neurotische opstoot enkel verbondenheid met deze stad, met deze mensen. Het brein werkt tot mijn grote tevredenheid alweer perfect, zachtjes als een pas geoliede naaimachine. Ik besluit in een splitseconde onbepaalde tijd te gaan zwerven langs mijn favoriete galerijen en de nog maagdelijk onbeschreven bladzijde van de dag deels te schenken aan de indrukken die er naar hartelust hun sporen op mogen achterlaten. Ik verlaat de doodse stilte van de flat en doe als eerste galerij Gambit aan, totaal onbekend, diep verscholen in een zijstraatje in de buurt van Tesco’s nabij Narodni Trida. Ooit gevuld met wonderlijke sculpturen in gietijzer en fenomenale aquarellen gemaakt door de creator van de gigantische metronoom op de heuvel aan de andere kant van de rivier vind ik de galerij totaal leeg. Ik herinner me een urenlang gesprek met de Poolse uitbaatster in een mix van Tsjechisch, Duits en Nederlands (ze was poetsvrouw geweest in Amsterdam) over de diepere betekenis der kleuren, koester dit en vind daarna de ruimte terug van Mr. Michal, omringd door toeristenprullen winkeltjes. Z’n doeken blijven even grillig qua lijn stel ik vast, de man moet nu bijna 80 zijn. Met enige ironie denk ik terug aan 1997 en hoe ik in mijn toen nog wild enthousiasme hem bijna verplichte mee een atelier te zoeken in de stad. Gered door zijn afwezigheid duik ik enkele straten verder een plek binnen waar vroeger Russen te vinden waren in de achterkamer achter een zee van kitsch in de etalage. Vrijwel meteen herken ik er eentje wat onmiskenbaar uit de school van Sint Petersburg moet komen. Olie op doek, Jeroen Bosch taferelen met magische inslag, van een ongelooflijk hoog technisch niveau. Het métier is dus bewaard gebleven. Mijn vermoeden dat het om een restant van een collectie gaat wordt bevestigd door een stugge Tsjech met dollar tekens ogen die ik tijdelijk verder negeer. Mijn ziel wordt gezogen naar een reeks portretten gebaseerd op één en hetzelfde model, een bloedmooie Balkan vrouw. De tonen overwegend zwart, diep robijnrood, het licht uiterst geraffineerd met een haast perfecte balans tussen onthulling en verhulling. In de ban van de mystiek vertoevend duikt de Tsjech weer op, noemt een exuberante prijs voor een full body profiel en dus informeer ik maar naar de ander Russen: Onishenko, Alexy? Z’n stugheid verdwijnt als sneeuw voor de zon en ik kom ongevraagd te weten dat de portretten van een in Praag residerende Oekraïner zijn, dat het model fictief is, dat Anatov zeker gaat doorbreken en of hij de schilder even voor me zal bellen zodat we dieper op zijn werk kunnen ingaan. een typisch staaltje bitterzoet Tsjechisch opportunisme. Ik lach hartelijk en hij daarna dan ook maar. Op weg naar Onishenko achter het Celetna theater (mijn eerste vaste stek, waar ik debuteerde als regisseur in 1998) ontdek ik dat Alexy nu een eigen fonkelnieuwe galerij heeft. Z’n werk is duidelijk gegroeid, thematisch, minimalistisch maar mist nog voldoende maturiteit. Desalniettemin heeft hij duidelijk niet stilgezeten. Alexy is een oude vriend. Z’n vriendin, Sandrine, een New Yorkse die haar balletopleiding in Parijs vervolmaakte en met wie ik intensief aan een Sam Sheperd stuk gewerkt heb in het theater, bracht me met hem in contact. Ze vonden me ooit op straat bij Namesti Republiky, in elkaar geslagen door taxichauffeurs, dronken omwille van een alles verterend verdriet om een Bulgaarse theaterliefde. Ik sliep tussen zijn schilderijen in het armzaligste atelier ooit. Hij tekende toen op gebruikt behangpapier met wasco’s. Sindsdien is zijn werk als het ware in mij gebrand. Onishenko is duidelijk op zijn retour. Opgeslokt door de toeristen industrie, decadente prijzen vragend voor wat over blijft van zijn 'New Impressionism', ooit verheven tot standaard. Ik vermoed Alzheimer en de telefoon gaat.