Stepstone I
Het is Maggie, of ik later op de koffie kom bij haar thuis? De resterende tijd wijd ik aan Jan Go. Een experimentele kunstenaar die zichzelf herhaalt in een poging reliëf, olie en acryl in de New Age niche te commercialiseren. De metro biedt soelaas en confronteert me met de alledaagsheid van het leven in een Oost Europese hoofdstad. De metro spuwt me uit in Zizkov, de voormalige gore arbeiderswijk, waar alleen een geoefend oog de toegang vindt tot de legendarische Praagse underground scène. Hier heb ik gefeest met Pieter tot diep in de nacht, verdwaald in de catacomben onder Akropolis, de monumentale muziektempel op de scheiding van Oost en West. Via een krakkemikkige lift overladen met graffiti bereik ik de 5de verdieping van een gigantisch vervallen vierkantig woonblok. Ik sta bij maggie voor de deur. Ze deelt een piepklein 2-kamerflatje met een spichtige roodharige jongen die na een vluchtig hallo enkel gehuld in boxershorts verdwijnt in zijn kamer en kennelijk ook in zijn wereld. Ik baan me een weg door het kleine kamertje dat tjokvol is gepropt met kleren, een onnoemelijke verzameling 'dumpsters' (ik begrijp later 'zwerfvuil') en alle attributen een volleerde heks waardig. Met uitzicht op de gigantische overwoekerde binnenplaats sippend aan best wel lekkere koffie rook ik bedachtzaam en luister naar de onophoudelijke stroom Amerikaans met een accent als van teer dat met de snelheid van het licht op me wordt afgevuurd. Bij gebrek aan coherentie (ligt het aan mij?) en door toevoeging van Tom Waits uit een derde - of zo – hands cassettespelertje focus ik me op de toon, een beproefde methode om toch enigszins de sfeer van wat moet doorgaan voor een gesprek te vatten. Die is open en ontvankelijk, stel ik niettegenstaande de woord lawine met tevredenheid vast. Als bij toverslag houden de persoonlijke interpretaties van de Amerikaanse binnenlandse politiek sinds de jaren vijftig en in het bijzonder de accentverschuivingen binnen links en rechts, met de censuur als topic, om dit te staven, op. Terwijl Tom Waits verder raspt komt ze weer buiten gerend met 2 zeebellen blazers waarna we bijna hartstochtelijk de bubbels over de binnenplaats laten zweven. Verrukt over de kleuren, blij om een geslaagde variatie gevuld met sigarettenrook wijden we ons aan een bescheiden 'bird watch' sessie. We roken de vredespijp en plots vocaliseer ik een gedachte die kennelijk nu de kans ziet m’n diepste binnenste te verlaten. Ik zeg 'Hoe zeg ik het meisje dat ik van haar hou?'. In een nano seconde is ze volledig mee, vat kennelijk de context van enkele dagen geleden en zegt 'Loud en clear', ik zeg 'Yes' en dan 'But casual' en daarna 'With a wink'. Ik ben stomverbaasd over mezelf dat ik 'OF ik het meisje wil en kan zeggen...' voor mezelf al als vanzelfsprekend heb gecatalogiseerd en zwijg als vermoord. We gaan dan maar weer wandelen en na een formaliteiten stop op het kantoor van haar school (ze onderwijst nu alles rond alcohol en drugs met het Engels als vehikel aan de jonge Tsjechjes) raak ik compleet relaxed, heb geen flauw idee waar we naar toe struinen, merk nauwelijks nog iets van de realiteiten om heen en hou een vurige monoloog over het meisje en mijn liefde voor haar. Ik praat nu snel, detaillistisch, schep sfeerbeelden, reconstrueer gevoerde conversaties, raak enthousiast, schiet vol zelfvertrouwen en besluit groots met haar diagram versus over 'ons' als de verzegelde kurk op de champagne. Ze knikt alleen maar en voegt er aan toe dat ze me zal vervloeken als ik verzaak aan het uitspreken van wat er in mijn hart leeft omtrent het meisje. Sterk voel ik me nu, vol daadkracht en ik merk voor het eerst weer dat ik thuis ben, in mijn geliefde Praag. We eten zwijgend, op een enkel woord na in het Franse pannenkoekenhuis, een van mijn geheime vroegere 'denkplekken' die ik haar cadeau doe. Ze verdwijnt in de nacht met alweer een 'dumpster', ditmaal een afgeleefd bruinleren aktetasje uit een berg grof huisvuil. Radka, mijn diep zielsverwante, schitterend mooie schildersvriendin, klinkt wonderlijk enthousiast aan de telefoon. Ze staat pal voor me als tram 26 stopt. We hoeven nauwelijks woorden, precies zoals het altijd was. De gelukzalige diepe vriendschap wordt enkel hier en daar in een zuinig detail onderstreept. Een blik, een glimlach, even frullen aan mijn haar om zich te vergewissen dat ik er echt wel ben. Ik beloof maandag op bezoek te komen en na een zalige knuf zijn er twee lichtgevende zielen in de nacht. De tekst op de foon zegt dat de deur uit Colin’s flat ligt. Ik haast me naar huis, ontdek de restanten van braaksporen en een vluchtig herstelde deur, vind niemand en geef me over aan de nacht. Dood moe word ik diep in de melkweg gezogen. Het wordt duidelijk waarom ik thuis ben en naar huis kan.